Woordenschatonderwijs

“De leerlingen verwerven een adequate woordenschat en strategieën voor het begrijpen van voor hen onbekende woorden. Onder ‘woordenschat’ vallen ook begrippen die het leerlingen mogelijk maken over taal te denken en te spreken.” (SLO, 2006, p.19)

woordenschatonderwijs

De doelstelling van woordenschat gaat niet alleen om het weten van de betekenis van woorden, maar gaat ook over het leren van strategieën om de betekenis van woorden te kunnen achterhalen (Huizenga, 2005). Volgens Taalregie (2010) is het werken aan woordenschatstrategieën één van de drie pijlers waarop effectief woordenschatonderwijs steunt. Binnen woordenschatonderwijs op de basisschool is het niet alleen van belang om zelf met leerlingen aan de slag te gaan om de betekenis van woorden te leren. Als leerkracht moet je daarnaast de leerlingen leren hoe ze zelf achter de betekenis van woorden kunnen komen. Leerlingen die bewust woordenschatstrategieën kunnen inzetten, kunnen deze vanaf groep 5 effectief gebruiken. De leerlingen worden dan afhankelijk van hun leeswoordenschat en zullen zelfstandig hun woordenschat en de daaraan gerelateerde kennis van de wereld moeten vergroten (Taalregie, 2010).

Taalregie (2010) noemt naast het werken aan woordenschatstrategieën nog twee pijlers waar effectief woordenschatonderwijs op steunt. De eerste is het werken aan kwantitatieve woordenschatverbreding; de woordvoorraad van leerlingen neemt toe. De tweede pijler is het kwalitatief verdiepen van de woordenschat; de dichtheid van het woordenschatnetwerk neemt toe.

De woordenschat van kinderen ontwikkelt zich snel en op een opvallende manier van vrij gemakkelijke woorden zoals ‘mama’ naar moeilijkere woorden zoals ‘computerspelletje’ (Huizenga, 2005). Aan het eind van de basisschool beschikt een kind over een woordenschat van zo’n 17.000 woorden (Huizenga, 2005, Van den Nulft & Verhallen, 2009). Om deze 17.000 woorden te behalen is onder andere het woordleervermogen van leerlingen van belang. Alle leerlingen beschikken over hetzelfde krachtige woordleervermogen alleen zijn er toch leerlingen die een achterstand oplopen in hun woordenschatontwikkeling. Voor het vergroten van de woordenschat is het namelijk nodig de juiste omstandigheden te creëren (Van den Nulft & Verhallen, 2009). Verhallen en Walst (2011) zeggen dat de taalontwikkeling van leerlingen op school pas ontstaat als de schooltaal begrijpelijk wordt gemaakt. Vaak is er te weinig contextuele ondersteuning en is de cognitieve belasting te groot. Voor leerkrachten is het mogelijk hier de helpende hand te bieden door de kennis vooraf op te bouwen en de contextuele ondersteuning aan te bieden in de vorm van voorwerpen, plaatjes of door iets voor te doen. Leerlingen zijn in staat om veel woorden te leren, maar de leerkracht moet de juiste voorwaarden creëren om te zorgen dat een leerling door te luisteren, te kijken en te doen de woorden daadwerkelijk leert.

Bronnen:

Huizenga, H. (2005). Taal & Didactiek: Woordenschat. Groningen/Houten: Wolters-Noordhoff.
Nulft, D. van den en Verhallen, M. (2009). Met woorden in de weer: Praktijkboek voor het basisonderwijs. (2e, herziene dr.) Bussum: Coutinho.
SLO (2006). Kerndoelen Primair Onderwijs. Den Haag: Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Ontleend aan: http://www.slo.nl/primair/kerndoelen/kerndoelenboekje.pdf
Taalregie (2010). Taaldomeinen: Woordenschat. Geraadpleegd op: 3 mei 2013 via http://www.taalregie.nl/kennisbank_taaldomein_woordenschat.html
Verhallen, M. & Walst, R. (2011).  Taalontwikkeling op school: handboek voor interactief taalonderwijs (dr. 2). Bussum: Coutinho.

Meer lezen uit mijn woordenschatonderzoek:

Werken aan Woordenschat – Het belang van woordenschat

Werken aan Woordenschat – Selecteren van Woorden

Werken aan Woordenschat – Het Vierfasemodel

Werken aan Woordenschat – Consolideren 1

Werken aan Woordenschat – Consolideren 2

Werken aan Woordenschat – Consolideren 3

Share Button

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *